Werkwoordspelling 3F |oefening 3

In de onderstaande zinnen zie je steeds een lege plek. Je noteert de juiste  werkwoordsvorm of een bijvoeglijk naamwoord van het werkwoord dat tussen haakjes is gegeven.

Let bij een persoonsvorm goed op de tijd. Meestal is wel duidelijk of je een persoonsvorm in de tegenwoordige of de verleden tijd moet invullen. Maar als niet duidelijk is in welke tijd de zin staat, dan geef je de persoonsvorm in de tegenwoordige tijd.